Toen ik nog bij het Nederlandse Rode Kruis werkte, organiseerde ik wel eens lunchsessies. Gedurende het lunch-uur kwam er dan een spreker, en collega’s konden op zo’n lezing intekenen. Wim Hoff heeft een keer zo’n sessie verzorgd, maar ondanks dat dat een bijzondere man is met een interessante theorie, staat mij een andere lunchsessie helderder voor ogen: die van de blinde Joost Rigter. Joost kreeg op zijn 26e een progressieve oogziekte en ziet nauwelijks meer iets. Hij keek echter tijdens de eerste minuten van zijn lezing zo strak het publiek in, dat niemand doorhad dat hij ons niet zag. Ook vertelde hij dat hij hardloper was, en fanatiek skiër, en dat hij directeur was van meerdere bedrijven. Toen hij na vijf minuten vertelde dat hij blind voor ons stond, ging er een golf van verbazing door de toehoorders. Wat? Deze man was blind? Hoe ski je in vredesnaam als je niets ziet?
Tijdens onze wandelingen denk ik regelmatig aan Joost. Hij is een daredevil die zich door zijn blindheid niets in de weg laat leggen, die leeft alsof hij ziet. Maar in de bergen wandelen, op camino zijn, onbekend terrein ontdekken, dat is toch ondoenlijk als je blind bent?
Een blind bezoek aan Parijs
In Nijmegen ontdekten Pieter en ik onlangs MuZIEum: een plek waar je kunt beleven hoe het is om blind of slechtziend te zijn. Dit was onze kans. Ik boekte de zogenaamde vakantie-expeditie. Nu konden we eens ervaren hoe Joost zijn leven leidt.
Vorig week fietsten we door de regen en de wind naar het museum. Met beslagen, druppende brillen meldden we ons bij de receptie. We grapten over dat het goed begon; we zagen nu al niets. We kregen 20 minuten de tijd om de expositie te bekijken, waarna een medewerker ons zou halen voor de ervaring.
Bram was degene die ons meenam op vakantie; we gingen naar Parijs! Met een blindenstok, die we fanatiek voor ons uit zwiepten, liepen we het pikkedonker in, vertrouwend op Brams stem. ‘Ga hier maar zitten,’ zei hij. We voelden, deden onhandig met de stok, zaten elkaar in de weg maar uiteindelijk vonden we het bankje. ‘Waar zijn we, denk je?’ vroeg hij. ‘Ik hoor de zee?’ probeerde Pieter. ‘Volgens mij hoor ik treinen,’ zei ik. ‘Zijn we op Gare du Nord?’
Bram legde ons uit hoe geleidelijnen werken, hoe je op een station weet waar de trap begint, hoe je je weg naar de lift vindt. Hij stelde zaken regelmatig simplistisch voor, zo viel me op. ‘De uitgang vind je vaak door de massa te volgen.’ ‘Als ik iets niet weet, vraag ik het.’ Simpel zat. Begrip voor mensen die stilvallen zodra ze hem zien, kon hij echter niet opbrengen. ‘Niemand vindt het leuk om aangestaard te worden, toch?’ zei hij met een lichte irritatie in zijn stem. Voor mijn uitleg dat hij op straat een uitzonderlijk beeld vormt, aangezien we niet dagelijks met tientallen blinde mensen worden geconfronteerd, bleek hij ongevoelig. Het ís natuurlijk ook niet fijn om aangestaard te worden, daarin had hij wel een punt. Ook al zag hij het niet, dat aanstaren, hij voelde het wel degelijk.
Op de tast
Voelen blinde mensen inderdaad meer dan ziende mensen, zoals wel eens wordt beweerd? Bram geloofde er heilig in dat we allemaal even goed horen, voelen en ruiken, maar dat ziende mensen zich niet focussen op die andere zintuigen, aangezien we met ons zicht al voldoende uit de voeten kunnen. ‘Alles is oefening,’ zei hij terwijl we ons van een terrasje losmaakten en schuifelend een nieuwe ruimte betraden waar we een rommelmarkt overgingen. ‘Kijk maar naar braille. Voor ziende mensen lijkt dat een schier onmogelijk handschrift om te leren, maar dat is omdat jullie geen noodzaak hebben het te leren. Ik kan al braille vanaf mijn derde; voor mij is het net zo makkelijk als het voor jullie is om het alfabet te lezen en schrijven.’
We schuifelden rustig door. Een pilaar stond me in de weg, ik liep eromheen dacht ik, maar was prompt gedesoriënteerd. Brams hand bood uitkomst. We voelden schoenen, tassen, croissantjes, die allemaal op de markt uitgestald stonden. Je moet als blinde geen smetvrees hebben, bedacht ik me, want je raakt nogal wat aan. Daarna was het een deur door, ‘volg mijn stem’, en toen gingen we aan boord van een wiebelend bootje. Een tochtje over de Seine! Kijk, nu voelde ik me echt in Parijs. Het bootje kabbelde, het water klotste, de wind speelde met mijn haar, we zeiden alledrie niets. Voor het eerst dacht ik: zo is het dus: je ziet dan wel niets, maar je voelt van alles. Je hoort dingen, je ruikt dingen, je ervaart wel degelijk de Seine, het water, het geroezemoes op de kade, de meeuwen die boven je vliegen. Je mist één facet van de beleving, maar dat maakt de beleving niet minder intens. Gewoon ánders intens.
Tot ziens!
Na een afsluitend drankje aan de bar waren we goed anderhalf uur in het museum, en kapot. Het is vermoeiend om niets te zien. Het ene moment hou je je ogen strak open in de hoop toch nog een glimp licht op te vangen ergens, het volgende geef je het op en sluit je ze, maar dat geeft gek genoeg geen rust. Eenmaal weer in het daglicht bedankten we Bram voor het leuke, inzichtelijke middagje Parijs. Toen ik ‘inzichtelijk’ zei, gevolgd door een ‘tot ziens’, grinnikte ik ongemakkelijk. Ik gebruikte termen die voor een blinde niet gelden. ‘Moet je niet doen,’ zei Bram, ‘praat gewoon tegen ons zoals je dat tegen iedereen zou doen. We zien dan toevallig niets, maar ook wij zeggen gewoon ‘ik zie je daar.’ Heus.’
Begrepen, Bram. Bedankt, en tot ziens!

No reacties