Terwijl de eerste vissersboot uit de haven van Llança vaart en een eenzame man z’n hengel uitgooit vanaf een rotsige plek, wandelen Piet en ik in de ochtendzon over een pad tussen de zee en de bewoonde wereld. Wat er achter de huizen gebeurt is ons een raadsel; wij zien alleen maar hoe zonlicht reflecteert op de kalme golfjes. Wij horen alleen maar het zacht ruisen van de zee, met af en toe een bescheiden ‘bof’ als een golf op de rotsige kustlijn slaat, en de krijs van een meeuw. Een groepje van vijf oudere vrouwen staat Thai chi te doen op ons pad. Spanje wordt langzaam wakker, en wij ook.

De eerste acht kilometer gaat over dit continu stijgende en dalende, maar comfortabele pad vlak langs de kust

Zestig jaar getrouwd
Op een gegeven moment zie ik Pieter ergens voor me naast een stel staan. Ze loeren naar beneden, waar rotspartijen in ondiep water liggen en het zeewater diepblauw kleurt. ‘Kijk,’ wijst Pieter als ik dichterbij kom, ‘daar zijn aalscholvers aan het jagen.’ Drie zwarte aalscholvers schieten als penguins door het water. Ze duiken onder, we kunnen ze nauwelijks volgen als ze het ondiepe water doorschieten op zoek naar visjes, en komen dan weer boven. We raken aan de praat met het stel. Belgen uit Wallonië, die hier op vakantie zijn. Wat de aanleiding is, weet ik eigenlijk niet, maar ze vertrouwen ons op een gegeven moment toe dat ze al zestig jaar getrouwd zijn. Ik kijk hen met grote ogen aan. Zestig jaar getrouwd? Maar u bent zelf amper zestig! Ze blijken 81 jaar oud te zijn. Overduidelijk trots op hun leeftijd en op elkaar. Zo snoezig. ‘Zou toch gaaf zijn als wij dat ook redden, hè?’ zegt Pieter als hij mijn hand pakt terwijl we verder lopen over het pad. Ik reken snel hoe oud we dan zouden moeten zijn. Pieter 107, ik 102. Moet lukken 💪🏻

Llança achter me. Je kunt zelfs ons gouden autootje rechts op de parkeerplaats zien staan. Die blijft hier 12 dagen achter.
Stok gooien
Als we vlak bij de Faro de s’Arenella zijn, de noordelijkste vuurtoren langs de Catalaanse kust, komt een zwarte bordercollie op ons afgerend. Hij spuugt vlak voor onze voeten een stokje neer en gaat liggen. Zijn blik is volledig gefocust op het stokje. Oké, duidelijk, we gooien wel even. Amper drie minuten later heb ik het stokje twintig keer gegooid (arme hond, dat stokje weegt niets waardoor hij telkens op ongeveer anderhalve meter van ons vandaan neerdwarrelt) en ben ik er wel klaar mee. Zijn baasje, een jong meisje, komt eraan. ‘Stopt hij ooit?’ vraag ik haar. ‘Nooit. Hij kan hier eeuwig mee doorgaan, hij wordt gewoon niet moe.’
‘En jij?’ vraag ik lachend. Ze rolt met haar ogen. ‘Ik wel.’ Ze aait het beest over zijn kop. Dan zegt ze iets onverstaanbaars, waarop de hond prompt het stokje laat vallen en met haar mee loopt. Het oogt zo gezellig. Pieter en ik hebben veelvuldig lange gesprekken gehad over het aanschaffen van een hond, en we zijn tot de conclusie gekomen dat zo’n beest niet echt goed bij onze levensstijl past, maar op dit soort momenten…

Denen op de GR92
Enkele kilometers verderop, we staan op het punt El Port de la Selva binnen te wandelen, halen we twee mensen met grote rugzakken in. Een gesprekje leert ons dat het de Denen Leif en Nina zijn die ook de GR92 wandelen, net als wij tot Tossa del Mar. Ze vertellen ons dat ze hier 45 jaar geleden waren met Interrailen. Da’s waar: interrailen. Dat deden we toen! Als we hen later opnieuw treffen, uithijgend van een pittige klim, vertelt Nina ons dat ze zojuist langs het hotel zijn gewandeld waar ze toen verbleven. Dat herkenden ze nauwelijks terug. Waar het toen een charmant klein hotelletje was, is het nu een reusachtige blokkendoos zonder ziel. Ook Jávea, waar ons Spaanse huis in de buurt staat, hebben ze bezocht in 1980. Ik weet zeker dat ze dat ook niet meer zouden herkennen als ze er weer een kijkje namen. Zo gaat dat natuurlijk als het ergens heel mooi is: daar komen gewoon veel mensen op af.

El Port de la Selva

In gesprek met Leif en Nina, nadat we alweer hoog boven El Port de la Selva zijn beland
Cap de Creus
Toch lijkt de GR92 nog niet door de massa te zijn ontdekt. In ons dooie pieren eentje wandelen we door het natuurgebied van Cap de Creus. De randen van het stenige pad staan opnieuw vol met vijgcactussen, waarvan de auberginerode vruchten prachtig afsteken tegen het grijs van het pad en het intense groen van de schijfvormige bladeren. Er is geen dorp meer te zien, slechts sporen van wilde zwijnen en struiken als boomhei en guldenroede tussen de cactussen. In de verte schittert de saffierblauwe Middellandse Zee tot aan de horizon.

Naast Nina en Leif ontmoeten we vandaag alleen de Nederlandse Ellen. Over haar weten we nog niets, behalve dat ze al dat klimmen en dalen behoorlijk zwaar vindt. We lopen haar vast later nog wel tegen het lijf, dan ontdekken we hopelijk waarom zij hier wandelt. Ze pakt het in ieder geval rustig en relaxed aan; ze boekt niets van tevoren, maar kijkt gewoon hoe ver haar benen haar brengen.
Afdalen naar Cadaqués
Als we na de klim bovenop de berg even op adem komen, zien we in de verte de vuurtoren van Cap de Creus. Deze is gebouwd in 1853, wat het de een na oudste vuurtoren van Catalonië maakt, en heeft met het maanachtige landschap eromheen veel kunstenaars geïnspireerd, waaronder Salvador Dalí. Wij zullen de vuurtoren niet van dichtbij bekijken; ons stenige, steil afdalende pad gaat richting Cadaqués, het prachtige stadje rond de baai van Cadaqués, waar alle huizen witgekalkt zijn en de straten smal en slingerend.
We zien het al ver van tevoren liggen, met de Iglesia de Santa Maria midden in het dorp, hoog op een heuvel, en de vissersbootjes in de baai. Dit kunstenaarsdorpje Cadaqués wordt gezien als een van de hoogtepunten van de GR92. Misschien moeten we straks, onder het genot van een koel glas rosé en een ansjovisje waar de vissers hier van oudsher beroemd om zijn, maar eens even kijken of dat zo is 🤩

Slapen: Hotel Cadaqués1962, volledig in jaren ’60 stijl uitgevoerd
Afstand: 19 km
Hoogtemeters: 489 meter omhoog, 451 meter omlaag

No comments