Ik loop op de loopband in ons hotel in Boston, waar ik een intervaltraining doe. Minuutje wandelen, half minuutje joggen, minuutje rennen, nog een minuutje rennen maar met een iets grotere helling, dat soort werk. Op mijn koptelefoon praat Gijs Groenteman met zijn typische stem met schrijfster Nelleke Noordervliet. Voor me – de sportschool van het hotel bevindt zich op de zesde verdieping – kijk ik een beetje neer op bureaus binnen een kantoor en zie ik verderop een grintdak met een metalen balustrade, waar een stelletje meeuwen zich ophoudt.
Enter: de man
Opeens wordt mijn oog getrokken door een man in een blauw werktenue, die door een metalen deur stapt en over het grintdak loopt. Hij lijkt op zijn gemak, alsof hij dit regelmatig doet. Eén van de meeuwen vliegt op en maakt zich uit de voeten. De ander vliegt onrustig boven de man, die daar op zijn beurt ook onrustig van wordt. Hij bukt, maait een beetje met zijn handen boven zijn hoofd, bukt nog meer maar blijft lopen, tot hij bij de rand van het dak komt. Met zijn onderarmen leunt hij op de balustrade; de meeuw landt naast hem, een meter of twee bij hem vandaan. Ze kijken elkaar aan.
Mijn loopband versnelt tot een sprint. Twaalf kilometer per uur rennen komt me niet echt natuurlijk dus ik moet alle zeilen bijzetten om het tempo aan te kunnen. Hijgend hou ik mijn blik op de man en de meeuw. De angst dat de man van het dak zal springen popt op, maar verdwijnt weer als hij zich omdraait en met een relaxte houding tegen de balustrade aan gaat hangen. Tot mijn verbazing gaat zijn arm de lucht in, wijst hij ergens naar en draait vervolgens naar de meeuw. De meeuw kijkt hem aan. De man gebaart nog meer. Tot mijn verbazing zie ik de meeuw enkele pasjes richting de man bewegen. Alsof hij hem niet goed verstaat en hun afstand wil verkleinen. Zijn die twee nou in gesprek?
Dit duurt ruim vijf minuten voort. Dan duwt de man zich van de balustrade af en loopt weg. De meeuw stijgt op. Met die typische sierlijke, maar toch ook dreigende manier vliegt hij boven de man, die niet langer bukt maar rustig doorloopt. Er is een bepaalde verstandhouding ontstaan, zoveel is me duidelijk. De man komt aan bij de deur, opent deze, draait zich om naar de meeuw, zwaait kort en stapt dan naar binnen.
Ik weet het niet zeker, maar het voelt alsof ik zojuist getuige ben geweest van iets heel bijzonders…

No reacties